BIJLAGE
A. HEELAL - LICHT, ENERGIE, MASSA, TIJD
1. HEELAL - MATERIE, MASSA, ENERGIE, KRACHT
Materie (het 'wat': atomen, objecten) is alles wat ruimte inneemt en tevens massa (hoeveelheid, traagheid) heeft. Of: materie kun
je zien als bouwmateriaal met massa als gewichtshoeveelheid.
Massa is een eigenschap van materie en heeft zwaartekracht (aantrekkingskracht van objecten op elkaar) waardoor materie kan
samenklonteren of in banen om elkaar draaien. Meer massa en een kleinere afstand geeft een groter aantrekkingseffect.
Massa en Energie zijn volgens Einstein twee vormen van dezelfde grootheid, de massa-energie-equivalentie: E = mc² (zie punt 6).
c² = de lichtsnelheid in het kwadraat. Massa is aldus een extreem geconcentreerde vorm van Energie.
Energie = capaciteit --> het vermogen arbeid te verrichten en veranderingen in gang te zetten. Zoals: thermische, elektrische,
kinetische, chemische energie, kernenergie, stralingsenergie.
Kracht = actie --> (poging tot) verandering van vorm of snelheid van (een) massa. De 4 soorten kracht in oplopende sterkte:
Zwaartekracht - zwakste kracht - houdt massa bij elkaar
Zwakke kernkracht - extreem veel sterker dan zwaartekracht,
houdt atoomkern mede bijeen.
Elektromagnetische kracht - extreem veel sterker dan zwakke
kernkracht, laat elektronen om atoomkern draaien.
Sterke kernkracht - 100x sterker dan elektromagnetische
kracht, houdt atoomkern bijeen en massa stabiel.
2. HEELAL - 3 COMPONENTEN
Volgens de huidige inzichten bestaat de ruimte uit leegte waarin zich materie en energie bevinden.
Dit heelal blijkt - met de huidige kennis - opmerkelijk leeg.
De totale massa-energie-inhoud van het waarneembare heelal (zie pt. 4) is minder dan 0,1 x 10⁻²⁰ procent van de totale ruimte
--> het heelal is grotendeels een vacuum.
Deze 3 componenten bevinden zich in het heelal (zie pt. 6, 7-inl. en 8.2):
5% gewone materie --> detecteerbaar heelal. Omvat alle fysieke massa en fysieke energie (massa-energie-equivalentie, zie pt. 6).
27% donkere materie - -> hypothetisch, niet detecteerbaar, maar moet bestaan omdat er anders te weinig zwaartekracht is
om sterrenstelsel bij elkaar te houden.
Donkere materie vormt een onzichtbaar, dradig 'skelet' (kosmisch web) waar de gewone materie zich omheen verzamelt en zo de
structuur van het zichtbare heelal bepaalt.
68% donkere energie --> hypothetisch, niet detecteerbaar, maar moet bestaan als gelijkmatig door het heelal verdeelde
anti-zwaartekracht (kosmologische constante van Einstein) ter verklaring van de steeds snellere uitdijing van het heelal.
3. LICHTSNELHEID
De lichtsnelheid c is in absolute zin altijd 299.792km per seconde in het vacuüm van de ruimte. Dit houdt in dat licht (en alle andere
elektromagnetische straling) exact 1 seconde nodig heeft om in de ruimte een (gefixeerd) lijntraject met een lengte van 299.792km
af te leggen: dit is ('absoluut') de snelheidslimiet voor straling en massa. De lichtsnelheid wordt vaak afgerond naar 300.000km/s.
Als een snel door de ruimte reizende ster precies in zijn baan licht uitzendt dan zullen alle frequenties van dit licht naar achteren
toe oprekken (roodverschuiving) en naar voren toe verkorten (blauwverschuiving): het Doppler-effect. Bij extreme snelheden
van zo'n ster zullen de gerekte/verkorte frequenties (radiogolven, röntgenstraling) buiten het voor ons zichtbare licht vallen.
De grens van ons heelal (46,5 miljard kilometer van ons vandaan, zie pt. 4) dijt uit met een snelheid die de lichtsnelheid overstijgt.
Dit kan omdat het gaat het om uitrekken van de lege ruimte (zie pt 7.1 en 8.2), niet om de begrensde snelheid (zie pt. 7 inleiding) van
elektromagnetische straling of massa. (Anti-)zwaartekracht heeft wel invloed op de uitdijingssnelheid.
4. HEELAL - UITERSTE GRENS IN LICHTJAREN
Al het navolgende betreft het voor ons waarneembare deel van het heelal. Daarmee wordt dat deel van het universum bedoeld
waarvan het licht de aarde na de oerknal (13,8 miljard jaar geleden) heeft kunnen bereiken. Het is een bolvormige regio met
de aarde in het centrum en met een geschatte straal van + 46,5 miljard lichtjaar --> door de uitdijing van het heelal is alle
energie-massa die 13,8 miljard jaar terug het licht uitzond dat ons nu heeft bereikt, al weer veel verder in de ruimte gekomen.
5. HEELAL - OMVANG EN MASSA
De totale massa in het waarneembare heelal wordt geschat op 10⁵³ kg, waarbij alle (3) componenten zijn geïncludeerd (zie pt. 2).
Ons zonnestelsel - deel van de Melkweg - heeft een massa van + 2 x 10³⁰ kg: 99,86% voor de zon en 0,00003% voor de aarde.
De grens van ons zonnestelsel wordt heliopauze genoemd (grens van de zon invloed), wat tot een doorsnede leidt van + 36 miljard
km ofwel + 33 lichturen. De afstand zon-aarde is in licht gemeten 8 minuten en 20 seconden (150 miljoen km).
De Melkweg is een groot, spiraalvormig, plat sterrenstelsel met een massa van + 3x 10⁴² kg, verdeeld over 100 - 400 miljard
sterren en met een doorsnede van + 120.000 lichtjaren.
De totale massa in het waarneembare heelal is meer dan 300 miljard maal groter dan de massa van de Melkweg.
Het centrum van de Melkweg herbergt een supermassief zwart gat: Sagittarius A, + 27.000 lichtjaar van de aarde en met een
enorme zwaartekracht. (Zie pt. 9).
Mogelijk zijn er in totaal 2000 miljard sterrenstelsels waarvan de melkweg er dus één is. Een sterrenstelsel omvat op zijn beurt
weer gemiddeld ongeveer 5 miljard sterren.
6. E = mc² (massa-energie-equivalentie)
Einstein stelt in 1905 (26 jaar oud) zijn beroemde formule op over de gelijkwaardige relatie tussen Energie (E) en massa (m) die in
elkaar kunnen overgaan: E = mc²
In deze formule is c² de kwadratische lichtsnelheid, een zeer groot en vaststaand getal --> een klein beetje massa levert bij
omzetting een enorme hoeveelheid Energie op.
rekenvoorbeeld met E=mc² voor 1 gram massa
-> opgeslagen Energie = 0,001kg x (300.000.000m/s)²
-> E(van 1gr massa) = 9 x 10¹³ joules --> circa de hoeveelheid vrijgekomen energie van de atoombom op Nagasaki.
Ofwel: de verbrandingsenergie uit 2,5 miljoen liter benzine (1,33ml = 1 gram benzine levert bij verbranding + 48.000 Joules).
Massa is in feite Energie omgezet in massa (Eom). Energie is in analogie massa omgezet in Energie (moE). Hieruit volgt:
Alle in het heelal aanwezige massa (ma) komt overeen
met een hoeveelheid Energie omgezet in massa (Eom):
Eom = (ma)c²
Alle in het heelal aanwezige Energie (Ea) komt overeen
met een hoeveelheid massa omgezet in Energie (moE):
Ea = (moE)c²
TOTAAL -> Ea + Eom = E(totaal) en ma + moE = m(totaal)
Relatie Energie en massa in het totale heelal is dan:
(Ea+Eom) = (ma+moE)c²
In deze formule is c² een vaststaande factor van 9 x 10¹⁶
Dat levert de verhouding E(tot) : m(tot) = (9 x 10¹⁶) : 1
Deze verhouding zal ook gelden voor Ea / moE en Eom / ma
-> alle Energie omgezet in massa dan wordt de formule
(0+Eom) = (ma+0)c² --> Eom = (ma)c²
-> alle massa omgezet in Energie dan wordt de formule
(Ea+0) = (0+moE)c² --> Ea = (moE)c²
NB1: E(totaal) en m(totaal) wijzigen niet, waardoor deze vergelijking altijd in evenwicht is. maar de verdeling van Ea en
Eom (en dus ook van moE en ma) wijzigt voortdurend door bijvoorbeeld ontploffende sterren en zwarte gaten.
NB2: Voor een (sterren)stelsel als deel van het heelal geldt dat E(stelsel) en m(stelsel) wél steeds kunnen wijzigen door van
buiten inkomende en naar buiten verdwijnende Energie en massa.
NB3: Voor de 'donkere energie' en 'donkere materie' (zie pt. 2, 7-inl. en 8.2) wordt gesteld dat zij ook onderdeel zijn van E= mc²
en dus in theorie omzetbaar in respectievelijk (donkere?) massa en (donkere?) energie, maar dit is nooit aangetoond.
Een mogelijkheid zou dus kunnen zijn:
--> E(totaal) = Ea + Eom + Edonk + Edonkom (of om)
--> m(totaal) = ma + moE + mdonk + mdonkoE (of oE)
7. RELATIEVE TIJD
Einstein stelt dat de TIJD vertraagt door extreme snelheid los van effecten van energie of massa (speciale relativiteitstheorie)
en door zwaartekracht (algemene relativiteitstheorie).
Anti-zwaartekracht ('donkere energie' zie pt. 2, 6 en 8.2) versnelt dan dus volgens de algemene relativiteitstheorie de TIJD.
Theoretisch is de maximaal snelle tijd ('standaardtijd' of 'normale / absolute' tijdsnelheid) geldig bij snelheid 0 en zwaartekracht 0.
Einstein geeft aan dat de tijd niet (verder) kan versnellen vanwege de absolute lichtsnelheid -> uitleg: massa neemt bij naderen van
de lichtsnelheid oneindig toe (zie pt. 7.5), voor het laatste zetje naar de lichtsnelheid zou dan oneindig veel energie nodig zijn.
Kan anti-zwaartekracht de maximaal snelle tijd en daarmee de lichtsnelheid alsnog versnellen?
Stel dat de meetbare tijd , naast de invloed van zwaartekracht en snelheid, een golfbeweging van biljarden jaren is tussen
een eeuwigdurende seconde (tijd oneindig gerekt, staat stil) en een ultrakorte seconde (tijd oneindig gekrompen, tijdflits).
Daarmee zou een cyclus pendelend tussen extreme krachten en totale stilstand verklaarbaar zijn (zie pt. 8.1).
Een ultrakorte seconde (optie A) verheldert wellicht de theorie van de KOSMISCHE INFLATIE waarin wordt gesteld dat het
heelal (= alle massa, Energie en tijd) in de eerste secondefractie van de Big Bang lichtjaren groter werd ('ruimterek').
Een andere verklaring voor de kosmische inflatie (optie B) is zeer kortdurende extreme snelheid ver boven de lichtsnelheid (vlg.
Einstein mogelijk als snelheid niet verbonden is met straling of massa, zie pt. 3) en dan wel in een standaard tijdstelsel.
A. De standaardseconde (zie pt. 7.2) is op moment 0 van de Big Bang miljarden malen korter (tijdversnelling is volgens Einstein
onmogelijk), wat gepaard gaat met een extreme hoeveelheid energie zonder massa (zie pt. 7.4.C.2). Zeer snel daarna vertraagt
die ultrakorte seconde door de oer-zwaartekracht en door de extreme snelheid (zie inleiding pt. 7) waarna massa uit de extreme
energie ontstaat -> zie pt. 7.4.B -> toename massa bij vertragen van de tijd (toename Rf).
B. De lichtsnelheid (los van straling of massa, zie pt 3) is miljarden malen sneller door een extreem hoge energiedichtheid.
Bijna meteen daarna wordt die extreme energie omgezet in hitte en massa waarmee deze ruimterek stopt . Dit sluit aan bij de
huidige hypothese dat de ruimte zelf (los van straling en massa) supersnel werd 'opgerekt' (zie ook pt. 8.2). Dit verloopt in een
standaardtijdstelsel.
Denken over een ander tijdconcept vóór de Big Bang opent de weg naar denken over tijdvariabiliteit daarná. Is toe- /afname van
de ruimterek gelijk aan versnelling /vertraging van de TIJD zoals bij A? Een plastische ruimtetijd met een fluctuerend heelal?
De standaardseconde s ligt absoluut vast op 9.192.631.770 trillingen (dicht bij 0 graden Kelvin) van het cesium-133-atoom.
Aanname: deze trillingsfrequentie blijft gelijk bij een tragere of snellere 'Relatieve seconde'.
Een 'Relativiteitsfactor' (Rf) bepaalt dan een tragere of snellere Relatieve seconde (Rs): Rs = Rf x s
Bij Rf= 1 is de Relatieve seconde gelijk aan de standaardseconde.
Bij Rf nadert nul gaan tijd (onmetelijk korte seconde) en licht onpeilbaar snel.
--> Rf= 0 is wiskundig onmogelijk (delen door 0 faalt)
Bij Rf= oneindig staan tijd (oneindige seconde) en licht stil..
NB1: tijdversnelling is volgens Einstein onmogelijk (zie inleiding pt. 7): --> Rf is dan nooit kleiner dan 1.
NB2: De Rf (Relativiteitsfactor = tijdvariabele) doet denken aan de Lorentzfactor --> bij grote snelheden in de ruimte (t.a.v een
relatief nulpunt) vertraagt de tijd en neemt de Lorentzfactor toe --> bij bereiken van de lichtsnelheid is de Lorentzfactor oneindig
en staat de tijd stil. Verschillende tijdsystemen kunnen hierbij tegelijk in de ruimte actief zijn: de tijd is relatief.
NB3: De Rf zou ook een soort 'ruimterekfactor' (ruimtevariabele) kunnen zijn --> (bijna) nul bij de start van de Big Bang.
NB4: Als de trillingsfrequentie in het Cesium-133-atoom (en alle andere atomen) intact blijft tijdens de fase van een eindeloze
seconde (stilstand van de tijd), zal het heelal vanuit een "standby-stand" aan een volgende cyclus beginnen (zie pt. 8).
De lichtsnelheid c blijft in absolute zin altijd 299.792km per seconde, ook bij een snellere of tragere Relatieve seconde (Rs).
In relatieve zin neemt de lichtsnelheid af of toe bij een tragere of snellere Relatieve seconde. De lichtsnelheid c kan dan
als Rc (Relatieve lichtsnelheid) geherdefinieerd worden:
Rc = 299.792km/(Rs) = 299.792km/(s x Rf) = 292.792km/s x 1/Rf = c x 1/Rf ---> Rc = c/Rf
Door aanpassing met Rf wordt de lichtsnelheid c/Rf en het kwadraat daarvan (c/Rf)² ofwel c²/Rf²
De formule E = mc² moet bij inbreng van Rf in balans blijven en wordt dan E/Rf² = m x c²/Rf²
Maar als Rf het oneindige nadert en dus de Energie de nul nadert dan zou bij gelijkblijvende massa de Energie in het niets verdwijnen
Omdat Energie in massa kan worden omgezet moet dat in de deze formule tot uitdrukking komen:
ofwel E/Rf = (m x Rf) x (c²/Rf²)
--> Doet recht aan de Energie/massa verhouding.
--> In deze formule is c²/Rf² een variabele factor.
A. Bij gelijk blijvende lichtsnelheid
Bij een Relativiteitsfactor van 1 (standaardseconde) transformeert E/Rf² = m(c/Rf)² naar --> E = mc² .
B. Bij afnemende lichtsnelheid
voorbeeld 1: bij een Relativiteitsfactor van 2 (de tijd is 2x trager) halveert de Relatieve lichtsnelheid, halveert de Energie
(en de moE) en verdubbelt de massa (en de Eom).
voorbeeld 2: bij een oneindig grote Relativiteitsfactor (de tijd staat stil) is de Relatieve lichtsnelheid nul, is de Energie
(en de moE) nul en is de massa (en de Eom) extreem groot.
--> De totale hoeveelheid Energie (E+Eom) blijft gelijk,
de totale hoeveelheid massa (m+moE) blijft ook gelijk.
C. Bij toenemende lichtsnelheid
voorbeeld 1: bij een Relativiteitsfactor van 1/2 (de tijd is 2x sneller) verdubbelt de Relatieve lichtsnelheid, verdubbelt de
Energie (en de moE) en halveert de massa (en de Eom).
voorbeeld 2: bij een Relativiteitsfactor die nul nadert (de tijd gaat oneindig snel) is de Relatieve lichtsnelheid onpeilbaar snel
(tijdflits), is de Energie (en de moE) extreem groot en is de massa (en de Eom) bijna nul.
--> De totale hoeveelheid Energie (E+Eom) blijft gelijk,
de totale hoeveelheid massa (m+moE) blijft ook gelijk.
NB: Einstein stelt dat de lichtsnelheid c niet kan toenemen (zie inleiding pt. 7) --> c blijft 299.792km per seconde, maar de
seconde is 'gekrompen' --> c is relatief toegenomen --> Rc.
CONCLUSIES:
bij toename Rf vermindert de Relatieve lichtsnelheid, vermindert de Energie en neemt de massa toe.
bij afname Rf neemt de Relatieve lichtsnelheid toe, neemt de Energie toe en vermindert de massa.
Als de Rc (Relatieve lichtsnelheid) af- of toeneemt dan vertraagt of versnelt de tijd.
Als het heelal met 1/3 lichtsnelheid zou uitdijen dan gaat de kosmische achtergrondstraling (overgebleven van de oerknal) met
2/3 van de lichtsnelheid aan objecten voorbij. Voor dit heelal is dan de Relatieve lichtsnelheid in de richting van de uitdijing tot
2/3 van de absolute lichtsnelheid teruggebracht --> Rc= c/Rf =2/3. De standaardseconde is dan met een factor 3/2 (=Rf)
verlengd (Relatieve seconde). Volgens E/Rf = (m x Rf) x (c²/Rf²) wordt dan de Energie verlaagd met factor 2/3 en de massa
verhoogd met factor 3/2.
De tijd staat stil voor een object dat reist, of een heelal dat uitdijt met de snelheid van het licht: het snelheidsverschil tussen
object/heelal en de absolute lichtsnelheid is dan nul (Rc= 0, Rf= oneindig). Energie is nul, massa is extreem groot (voorbeeld
B2 hierboven): een niet leefbare situatie.
De volgende optie is volgens Einstein onmogelijk: de tijd loopt terug (negatieve tijd) voor het object dat sneller reist dan het licht.
8. CYCLISCH HEELAL
Is het heelal - vol cyclische bewegingen - ook cyclisch als geheel? Na een oerexplosie (BIG BANG) van een tot punt verdichte
universele massa en zwaartekracht, zou die massa ooit naar dit punt moeten terugkeren en weer exploderen.
Het heelal is dus volgens gangbare theorieën ontstaan uit de oerknal waarbij een extreme hoeveelheid energie voor een deel
in massa werd omgezet. Maar het lijkt (ook natuurkundig) ongerijmd dat die oer-energie uit het niets kwam.
A. Na de Big Bang volgt de uitdijingsfase van massa gevormd uit een nietig centrum. Dit gebeurt in een vertragende positieve
tijd (vanuit extreem snel) totdat tijd en licht stilstaan en de ruimte wellicht vol is met uiteengevallen materie. E=mc² wordt:
E/Rf=(m x Rf) x (c/Rf)² of E/Rf=(m x Rf) x (Rc)² (zie pt. 7).
Bij toename Rf (tijd vertraagt) -> Energie kleiner bij
toenemende massa.
Bij Rf= oneindig -> Energie= 0, tijd, massa extreem groot,
licht en uitdijing staan stil. -> alle Energie omgezet in massa.
-> het heelal staat stil, de grens is bereikt.
B. Dan de krimpfase in een versnellende negatieve tijd totdat tijd en (centraal gerichte) elektromagnetische energie onmetelijk snel zijn, alle massa centraal
is verdicht naar (bijna) nul en de Energie onvoorstelbaar groot is: als bij een zwart gat (zie pt.9). E=mc² wordt:
E/Rf=(m x Rf) x (c/Rf)² of E/Rf=(m x Rf) x (Rc)²
Bij afname Rf tot (bijna) nul neemt E toe tot (bijna) oneindig
en neemt de massa af naar (bijna) nul.
-> Rf= 0 betekent delen door nul --> wiskundig onmogelijk.
-> Bij Einstein kan Rf niet kleiner zijn dan 1 omdat de
lichtsnelheid in zijn concept niet kan toenemen.
Wordt nu energie uit massa gevormd in het beeld van een omgekeerde explosie (negatieve tijdfase) en steeds verdere
verdichting? Wellicht explodeert het centrum voorbij een verdichtingsgrens of bij het nulpunt ('singulariteit'):
een nieuwe uitdijingsfase in positieve tijd volgt dan.
Zou een deel van het centrum na die explosie niet in massa terugkomen maar verder gaan als (donkere?) energie (zie onder)
als een soort omgekeerd zwart gat? Bij vertragen van de tijd naar nul wordt al die energie dan alsnog omgezet in
massa: de antizwaartekracht (zie pt. 2) wordt weer zwaartekracht.
C. De combi A+B: na de Big Bang is er in het begin alleen positieve tijd die steeds meer wordt ingevuld door negatieve
tijdszone's in de vorm van opkomende zwarte gaten (zie pt.3). De grens ('horizon') van een zwart gat is dan een grens als
tussen A en B. Fusies van zwarte gaten die tevens gestaag positieve tijdszone's opslokken leiden uiteindelijk tot een
universeel zwart gat in het beeld van een totale krimpfase: op weg naar de volgende Big Bang.
De tijd is aldus cyclisch - zonder oerbegin - met periodieke
TIJDWENDES: wissel van positieve en negatieve tijd.
Tegen de verwachting in dijt de ruimte zelf (niet de massa) steeds sneller uit, vergelijkbaar met een rijzende cake waarin de krenten
steeds verder uit elkaar komen te liggen. Over een ruimte afstand van 3,26 miljoen lichtjaar is de uitdijingssnelheid berekend op
+ 73km/s (de Hubble-constante) in evenredige verhouding: bij een dubbele ruimte afstand verdubbelt de uitdijingssnelheid.
Dit houdt in dat aan de rand van het waarneembare heelal (46,5 miljard lichtjaren verder) de uitdijingssnelheid + 3,5x de snelheid
van het licht zou kunnen zijn. Dat is mogelijk omdat het dan gaat het om uitrekken van de lege ruimte, niet om elektromagnetische
straling (zie pt. 3).
Deze uitdijing wordt toegekend (zie pt. 2) aan de (hypothetische) 'donkere energie' die nu 68% van het heelal zou uitmaken en als
anti-zwaartekracht werkt. Daar staat de zwaartekracht in een minderheid tegenover: het resterende (zwaartekracht)deel van
het heelal zou voor 27% bestaan uit (hypothetische) 'donkere (onzichtbare) materie' en voor 5% uit gewone (zichtbare) materie.
Misschien wisselt de uitdijingssnelheid (ook) door de invloed van ex- en imploderende sterren (zwarte gaten, zie pt. 4 en 9).
Maar als de tijd uiteindelijk tot stilstand zou komen op de grens tussen A en B dan worden de relatieve uitdijings- en lichtsnelheid
nul, evenals alle Energievormen, óók de donkere energie. Er is geen anti-zwaartekracht meer.
Alle massa, óók de donkere massa, zal extreem zijn toegenomen. met als gevolg een maximale (massa)zwaartekracht.
En dan kan de krimpfase met zijn negatieve tijd vervolgens weer beginnen.
9. ZWARTE GATEN
Zwarte gaten zijn het gevolg van een (grotere) supernova: een tegelijk exploderende én imploderende grote ster. Het
imploderende deel van de ster veroorzaakt een extreme massaverdichting en dito zwaartekracht met (daardoor?)
'gevangen' licht: een zwarte gat. Waarschijnlijk zijn er triljarden zwarte gaten. NB: een kleinere supernova wordt
een dwergster: doorsnede van circa 10km, massa van circa 2 zonnen, dichtheid op neutronenniveau.
HYPOTHETISCH kan een zwart gat een krimpfase zijn met negatieve tijd en negatieve, centraal gerichte lichtsnelheid.
Een andere verklaring dus voor 'gevangen licht'. Misschien ook wordt in een zwart gat uit massa Energie gevormd die
centraal gericht is als een omgekeerde explosie met verdere verdichting. Wellicht is er een grens (nulpunt?) aan de
verdichting waarna een explosie volgt (terug in positieve tijd).
Het exploderende deel van de ster komt in een uitdijingsfase met positieve tijd en perifeer gerichte lichtsnelheid.
De zogenaamde 'waarnemingshorizon' van een zwart gat (vanaf waar licht naar centraal verdwijnt) zou gezien kunnen
worden als een op zichzelf staande geïsoleerde tijdwende.
10. VERSNELLING EN VERTRAGING
Volgens bovenstaande visie bestaan er in het heelal vele uitdijende en krimpende systemen in verschillende stadia.
Dat moet versnellende en vertragende effecten op andere delen van het heelal hebben. De conclusie zou kunnen zijn
dat het begrip tijd in het ons bekende heelal variabel is met 'gelijktijdig' verschillende tijdsverlopen.
11. BUITEN HET WAARNEEMBARE HEELAL
Buiten ons bekende heelal, zouden ook oneindig vele cyclische Big Bangs aanwezig kunnen zijn. We zullen dat
nooit kunnen vaststellen, tenzij bepaalde detecteerbare kenmerken hiervan aan die kringloop kunnen ontsnappen.
12. AFRONDING
Als de 'standaardseconde' onveranderd en positief blijft zal alle straling (zoals licht) grenzeloos en onomkeerbaar verder
snellen. 'Gevangen' licht in een zwart gat is dan alleen te verklaren met de (juiste?) theorie van extreme zwaartekracht.
Een niet veranderende standaardseconde en de versnellende uitdijing van het heelal botsen met de hypothese van een
cyclisch heelal.
Maar als alle energie bij de eindfase (ultieme grens) van het heelal daalt naar nul en alle massa is vergroot dan kan dat
volgens E=mc² alleen als de snelheid van het licht ook nul is en dus de tijd oneindig is geworden (stilstaat).
Het lijkt logischer dat daarna tijd, Energie en straling (licht) weer opstarten in omgekeerde richting: het heelal is
tenslotte een opeenstapeling van cyclische gebeurtenissen.
13. SAMENVATTING
Voor een cyclisch heelal is een tijd nodig die cyclisch varieert tussen nul en oneindig en tussen positief (vooruit in
de tijd) en negatief (terug in de tijd).
AANNAMES
1. TIJD is relatief en gekoppeld aan de veranderende uitdij- en krimpsnelheid van het heelal.
De lichtsnelheid is afhankelijk van de relatieve tijdsnelheid.
2. MASSA trekt massa aan. Bij een explosie van massa zal al deze massa uiteindelijk terugvallen naar het explosiepunt
(tenzij een extern krachtenveld intervenieert).
_________________________________________________